22 November 2009

Na onze periode in Victor Harbour, reden wij richting Cape Jervis. Het wegdek bestond uit hoge heuvels en diepe dalen. Zo racete Outger bijna 6 minuten lang 100 kmpu een heuvel af met de koppeling in zijn vrij. Na ongeveer twee uur rijden kwamen we aan in Cape Jervis. Cape Jervis staat bekend om haar veerboot tussen Kangaroo Island en het vaste land. Voor we op de boot gingen vonden wij het verstandig wat geld te pinnen en te tanken, aangezien alles op Kangaroo Island meer kost. Helaas kenden de mensen in Cape Jervis dat truckje al en zo betaalde wij een recordbedrag voor een liter diesel.

Op naar Kangaroo Island! Zo kennen de meeste Nederlanders de veerboot naar Texel, waar je eenvoudig achter elkaar aansluit. De veerboot waar wij op zaten had zeer kleine parkeervakjes, waar je net aan in kon. Uiteraard was dat weer dikke pret toen wij van de veerboot af mochten. Alles op de veerboot was vergeten en vergeven toen wij de pracht en praal zagen van Kangaroo Island. Mooie witte stranden en bijzondere rotsformaties zijn er te kust en te keur.

Toch waren wij hier niet alleen voor de mooie omgeving, maar ook voor een baan. Bij de toeristen informatie vertelde een jonge dame ons (helaas) het verhaal wat we niet wilden horen. We weten dat we fruit en groenten kunnen plukken, maar dat betaald slecht! We reden door naar Kingscote, met haar mooie camping langs het strand. Het strand was helaas zo dood als een parkiet met ademhalingsproblemen. In het plaatsje Kingscote gingen wij opzoek naar een baan. Het eerste hotel (Aurora Seafront Hotel) zocht wanhopig naar iemand voor in de keuken en iemand voor in de bediening. Er zijn dus wel banen naast het plukken van fruit! Uiteraard Lieneke in de bediening met haar ervaring bij Het Hof van Marken, en Outger in de keuken… met zijn ervaring bij de post? Nadat we ons uurloon hoorde duurde het niet lang voor de baan aannamen. Als slagroom op de taart vertelde de manager dat wij voor 120 dollar per week in het personeelshuis mochten verblijven. Dit wil je als backpacker graag, aangezien december en januari de piekseizoenen zijn voor campings en er dubbele prijzen gevraagd worden voor een overnachting.

Onze eerste werkdag
Lieneke: Het is wel even anders werken dan bij het Hof van Marken. Het is namelijk zo dat de klanten drinken en eten moeten bestellen aan de bar. Zodra het klaar is mogen wij serveersters het weg brengen. Op mijn eerste avond waren er wel veel Nederlanders, wat het iets gemakkelijker maakte. Ook moet de bediening de toetsjes maken en de saus toevoegen aan het eten. Maar het is wel heel leuk werk en de collega’s zijn aardig.

Outger: Voordat ik de keuken van het Aurora Seafront Hotel instapte had ik het idee dat het er heet aan toe zou gaan. Dit bleek niet zo te zijn, aangezien iedereen erg leuk met elkaar omging. Ik liep met Alex, (een Duitser(…)) mee van wie ik op 30 november zijn baan inpik. Het werk bestaat hoofdzakelijk uit het schoonmaken van het servies. Daarnaast moet ik groenten snijden en (schrik niet) zoetwater kreeften doormidden hakken. Dat laatste was wel even wennen.

Op de camping maken wij ook het één en ander mee. Zo kunnen wij goed opschieten met de eigenaren van de camping Con en Helen. Con en Helen komen beiden uit Griekenland en zijn daarom wat meer op de hoogte van onze Europese gewoonten. Aangezien wij werken in Kingscote hebben zij daarom besloten ons te voorzien van gratis internet. Naast dat zij ons voorzien van internet leveren zij ons iedere dag nieuwe buren. Dit is positief, maar soms negatief, vooral als het Fransen zijn die je stroomkabel jatten. Jawel, dat lees je goed, op de ochtend van 21 november hebben Frans schorriemorrie onze kabel gejat zonder blikken of blozen. Wij zijn daarop naar de receptie gegaan om te achterhalen wie deze schavuiten waren. Tot onze verbazing en die van het campingmanagement hadden deze mensen niet betaald voor de camping, en stonden daar dus illegaal. In Nederland kan je voor tien euro een nieuwe kabel halen, helaas kosten ze hier op Kangaroo Island een schrikbarende 90 dollar (55 euro). Dat wordt dus wachten tot we weer op het vaste land zijn.

Vissen op Kangaroo Island is erg amusant, zo heeft een vis het voor elkaar gekregen een 7 kilo lijn te breken, waardoor Outger nog steeds geen prijsvis had binnengehaald. Volgens “de plaatselijke experts” was dit een kleine haai, wat hier niet geheel bijzonder is. Haaien komen hier in alle soorten en maten voor. Zo zijn er minihaaien, mediumhaaien, maxihaaien en ik-eet-je-in-één-hap-op-haaien. Van die laatste kregen wij een aantal foto’s te zien van Con, die erbij vertelde dat deze haai de inspiratie was voor de film Jaws. Ons werd ook geadviseerd niet te gaan zwemmen aan de stranden, aangezien deze niet beveiligd zijn. De volgende dag kreeg Outger het toch voor elkaar een vis van formaat te vangen. De snoek van 55 centimeter was erg lekker!

Lieneke kan eindelijk zeggen dat ze in Australië gereden heeft… aan beiden kanten van de weg. Zo was ze even vergeten dat we niet meer in Nederland waren, maar in Australië. Wel heeft ze hem daarna prachtig in geparkeerd op de camping! Ze kan zich nu in ieder geval voortbewegen in het busje (aan de linker kant).

Outger & Lieneke

14 November 2009

Na enige tijd in Millicent was het de beurt aan Beachport. Beachport is een gezellig dorpje aan de zee waar nog net geen 400 mensen wonen. De naam verraad het al, er zijn ook veel stranden waar bijna niemand te vinden is. Dit dorpje was ooit een thuishaven voor walvisvaarders. Een oude treinrails en een enorme steiger zijn hier bewijs van. De steiger van ongeveer 500 meter wordt nog steeds veel gebruikt door mensen om te vissen en dit gingen wij even bekijken.

Na ongeveer 500 meter zweten in de hitte kwamen wij aan het einde van de steiger, waar een man eenzaam zat te vissen. Deze man reist door Australië met de seizoenen mee als schapenscheerder. Hij vertelde ons dat tussen januari en maart veel mensen in West Australia gevraagd worden voor dit werk. Dit werk verdient nog niet eens zo slecht, zo verdien je als beginner ongeveer 180 dollar (110 euro) per dag. “Eerst zien, dan geloven” bedachten wij ons.

Helaas verlieten wij na één nacht slapen Beachport om verder te reizen naar het beloofde land Coorong National Park. Tot ons verdriet was het niet meer zo mooi als het ooit was. Het gebied had grote problemen gekregen door de droogte. De massa’s watervogels die er waren zijn al enige tijd vertrokken of dood. De geur van de Coorong deed ons denken aan dode dieren.

Maar, het was tijd om een slaapplaats te zoeken… Na een kwartier rijden kwamen wij aan in Salt Creek, waar ons een overdagmerrie (nachtmerrie, alleen dan overdag!) stond te wachten. Vanaf de Princes Highway volgden wij een bordje wat ons naar een camping zou leiden. Na een vijf minuten rijden kwamen wij aan bij de Office, waar ons 15 dollar (9 euro) werd gevraagd voor een plaatsje. De vriendelijke vrouw vertelde ons dat er wel wat vliegen op het toilet konden zijn, in verband met de koelte daar. Maar er is een verkoelend en overdekt zwembad waar we konden zwemmen. Vol goede moed reden wij ons busje naar de toegewezen plek. Nadat wij even wat gedronken hadden liepen wij richting het zoveel belovende zwembad. Eenmaal in het zwembad aangekomen dacht Outger dat er takjes op de bodem van het zwembad lagen. Lieneke keek echter wat aandachtiger en zag dat het enorme harige wormen waren van rond de 30 centimeter! Wij keken elkaar verschikt, maar toch wat lachend qua ongeloof aan. Maar hier bleef het niet bij. Outger zijn blaas begon te protesteren, want hij was al een tijdje niet naar het toilet geweest.

Hier een paar persoonlijke woorden van Outger over zijn bezoekje aan het toilet; Toen ik bij de deur aankwam die mij naar het mannentoilet zou brengen werd ik opgewacht door letterlijk een deken van vliegen. Bij het openen van de deur begonnen ze allemaal te vliegen, en dus schrok ik even terug. Ik dacht bij mezelf, “binnen is het vast een stuk minder”. Ik nam een goede hap lucht, zodat ik niet per ongeluk een vlieg zou inademen en stormde het toiletgebouw in. Wat ik daar zag is bijna onbeschrijfelijk. Een enorme wolk van vliegen steeg op van de grond, muur, spiegels en plafond die mij het zicht belemmerde in het gebouw. Ik kon letterlijk de andere kant van de ruimte niet zien door de hoeveelheid vliegen. Hierop vluchtte ik het gebouw uit alsof het in brand stond.

Eenmaal terug bij het busje, stond Lieneke de zoveelste wesp dood te sprayen. Toen ze Outger zag aankomen dachten ze beiden hetzelfde, waarop Lieneke dit bevestigde door te zeggen “Outger, je hebt pech, we gaan nu weg”. We stapten snel in het busje, dat in onze korte periode op deze camping was aangevallen door een lading piepkleine kruipende wezentjes.

Na ons onverwachte avontuurtje in Salt Creek reden wij door naar Meninge waar het erg droog en warm was. Deze plaats stond vroeger bekend om zijn uitstekende locatie aan het meer Lake Albert. De regering besloot hier een einde aan te maken door dit meer af te sluiten van zijn voormalige watertoevoer uit de Goolong. De reden hiervoor is dat dit meer als zoetwaterreservoir moest gaan dienen. Doordat er geen vers water in het meer stroomt droogt het snel uit en gaat alles in het meer dood. De verlaten resten van een steiger en een bootramp bewezen weer eens dat deze omgeving onder enorme stress staat door het watertekort.

Omdat in Meninge niet veel te beleven was, reden wij verder naar Goolwa. Waar wij terecht kwamen bij het informatiecentrum. Een zeer enthousiaste dame hielp ons een goede camping te vinden en belde deze zelfs op om een schaduwplek voor ons te bemachtigen. Na wat langer met de vrouw gepraat te hebben, kwamen wij erachter dat zij een fanatieke visser is. Aangezien Outger wel fanatiek is, maar nog niet veel ervaring heeft met de vissen, beloofde zij ons haar zes zalmen toe mocht hij niets vangen. Toen bleek dat er geen schaduwplekken meer waren in Goolwa reden wij door naar Victor Harbour.

In Victor Harbour kwamen wij aan bij een Top Tourist camping, wat toch wel bekend staat als één van de betere, maar ietwat duurdere. De camping gelegen aan het strand met genoeg schaduw voor een leger kabouters was voor ons een prima plek om langer te blijven. Lang leven de oceaan, want hier kon Outger zijn hengeltje voor het eerst uittesten. Gewapend met mes, tang en uiteraard hengel begaf hij zich tot zijn middel in de ruige oceaan. Tot Lieneke haar grote schrik hoorde zij een klein-meisjes-gilletje vanuit het water. Outger had een schildpad langs zien zwemmen! Na een half uur –en nog geen vis- werd Lieneke weer gestoord tijdens het lezen van haar romannetje door een nog hardere kleine-meisjes-gil. Zo zwom er een Stingray van bijna een meter langs Outger zijn benen. Na twee uur vissen en geen vis sloot Outger zijn avontuurtje af met de woorden, “je mag deze slag wel gewonnen hebben, maar niet deze oorlog”. Hierop begon de zee te bulderen, alsof zij lachte.

In het centrum van Victor Harbour stuitte Lieneke op haar droomwinkeltje. Zo glunderde daar in de felle zon en 35 graden hitte een tweedehans boekwinkel. Alsof bezeten door de boekengeest, stormde Lieneke naar binnen, gevolgd door een wat verslagen Outger. Lieneke kon haar oude romannetjes omruilen voor nieuwe, en tot Outger zijn vreugde “mocht” hij een visboek uitzoeken.

Ronde twee… wederom gewapend met mes, tang, hengel én enige kennis over getijdenstromen en vissen kuste Outger Lieneke vaarwel en fluisterde toe binnen twee uur terug te zijn. Na een barre toch door het zware zand kwam Outger aan bij een lange brug richting een eiland genaamd Granite Island. Na deze te hebben overwonnen was het tijd om een lekkere zalm te vangen. Na anderhalf uur vissen gebeurde er nog steeds bar weinig. Totdat een vis het lokvisje vastbeet en Outger zijn eerste vis gaf. Het was geen prijswinnende vis, maar een groen langwerpig ding. Het hek was van de dam en Outger ving een tweede groene wezen. Drie uur later kwam Outger terug zonder iets eetbaars gevangen te hebben en keek Lieneke met een boze blik naar de tijd.

In deze stad kwamen we onze eerste Nederlandse backpacker tegen. Een Nederlandse vrouw die al een aantal jaren down under woonde. Deze raadde ons aan om qua werk ons geluk eens te proberen in Kangaroo Island. Het schijnt dat je hier een vermogen kan verdienen als backpacker aangezien er weinig mensen wonen en veel toeristen uit Adalaide ontvangt. De volgende dag besloten we dan ook naar het eiland te vertrekken, aangezien ons budget al aardig is geslonken.

Outger & Lieneke

6 november 2009

De camping in Swan Hill was voor ons (althans zo dachten wij) een plek waar we even verlost zouden zijn van die gevleugelde pestkoppen. Toen wij eenmaal ons busje hadden uitgestald en een welverdiend glas limonade wilden nuttigen, kwamen zo daar de vliegen in gevechtsformatie aangevlogen. Zoals gebruikelijk werd eerst de antimuggen kaars tevoorschijn getoverd, gevolgd door de antimuggen wierook, daarna de antimuggen spray en als laatste redmiddel de Deet. Helaas deerde onze barrière van muggengif hen niet en zo werden wij weer gedwongen om in ons muggententje te gaan zitten.

Na het muggendebakel besloten wij verkoeling te zoeken in “ons” zwembad, wat maarliefst vijf meter van onze bus verwijderd was. Het water was onze oase in de brandende hitte van Australië. De brandende hitte werd al snel verstoord door een paar flinke onweersbuien die over ons heen trokken. Het schijnt dat de auto de veiligste plek is om te zijn tijdens een onweersstorm, en zo bleven de zenuwen beperkt.

Het stadje/dorpje Swan Hill verschilde niet veel van andere plaatsen waar wij geweest waren. Zo houden de mensen daar van overmatig autogebruik en calorierijk eten. Naast het stadje was vroeger een meer waar tijdens een jaarlijks terugkerend festival veel watervliegtuigen landen. Voor een kleine vergoeding kon je een paar rondjes meevliegen. Maar door de droogte die Australië heeft meegemaakt was het hele meer vergaan en daarmee verging onze droom om met een watervliegtuig te vliegen. Gelukkig werd die teleurstelling goedgemaakt door een enorme blauwe vis… van plastic, die in zijn jongere jaren als gup schitterde in een film waar maar weinig het bestaan van af weten. Met andere woorden, er viel hier niet veel te beleven.

Na twee dagen in Swan Hill te hebben vertoeft was het tijd om weer verder te trekken. Ditmaal was het de beurt aan Echuca, waar de mannen net zulke gladde benen hebben als de vrouwen en waar vrouwen net zulke korte rokjes dragen als de mannen broekjes. Het koste Lieneke daarom enige moeite Outger over te halen hier te blijven. Het lot had alleen iets anders in gedachten en bracht ons The Melbourne Cup. Met dit jaarlijks terugkerende fenomeen staan paardenraces en schaars geklede vrouwen centraal. Een neveneffect hiervan is de massale stroom van mensen, die van Melbourne naar Echuca trekken, om daar lekker te genieten van de twee vrije dagen die The Melbourne Cup met zich mee brengt. Zo waren in Echuca alle campingplaatsen uitverkocht, op één na. Lieneke besloot deze ene camping te bellen en sloot dit gesprek af met “Ok, thank you, I will discusse this with my boyfriend”. Toen Lieneke Outger vertelde dat een plek zonder stroom en nog minder schaduw dan de vorige camping, een gedurfde 30 dollar (18 euro) per nacht koste sloeg Outger zijn hartje weer even stil. Een paar flinke dotten gas en enkele seconden later zaten wij weer op de snelweg, maar ditmaal richting Bendigo.

Bendigo is een plek waar maarliefst 100.000 Australiërs wonen, en wat zich met trots een stad mag noemen. Deze plek staat bekend om zijn goudmijn, waar de stad haar bestaan aan te danken heeft. Helaas is deze goudmijn niet meer in gebruik. Door het centrum van de stad rijdt een kleine tram die toeristen langs verschillende bijzondere gebouwen in de stad brengt. Als haringen in een blik zaten mensen in deze overvolle tram, en zo besloten wij dát avontuurtje over te slaan.

Na een half uur ronddolen in de stad kwamen wij aan op een geweldige camping, waar een aardige receptioniste ons vertelde dat wij overal mochten staan. Dit lieten wij ons geen tweede keer zeggen en parkeerde het busje onder de grootste boom in de omgeving. Eenmaal uitgepakt en wel zaten wij relaxed in onze stoel limonade te drinken, er klopte dus iets niet. Ietwat onrustig gingen wij na wat het zou kunnen zijn, iets vergeten, Outger zijn oksels? Lieneke kwam met de verlossende woorden en zei “er zijn hier geen muggen”! Enige vreugde dansjes verder was het tijd om de camping te verkennen. Alles wat ons hartje begeerde was aanwezig, zelfs een spa (waar Outger niet meer uit te krijgen was).

De volgende dag zijn we bij onze buren op bezoek geweest, die niet één, maar wel drie jaar rondreizen door Australië met een enorme bus. Uiteraard was de bus op zijn Australisch voorzien van alle gemakken die een mens eventueel nodig zou kunnen hebben. Deze bus had zoveel, dat je er eventueel een maanreis mee zou kunnen maken. In de bus waren ook twee kinderen aanwezig, die thuis (de bus) opgeleid werden door mama en gelukkig niet al te wild waren. Na een aantal uurtjes te hebben gezeten, was het tijd voor ons om terug te gaan naar ons koude busje.

De tijd was weer rijp voor ons om weer verder te trekken, en zo begaven wij ons richting Ararat. Er valt niet veel te vertellen over dit plaatsje, naast dat het een kopie is van andere kleine steden en dat de drukste plaats van de stad in de McDonald’s is. Op de camping aangekomen was een blik in elkaars ogen voldoende om te bepalen dat wij hier maar één nacht zouden blijven.
In Nederland maken wij ons op crimineel niveau druk over moorden, hooligans, poepende duiven, hangjongeren en soms hangouderen. Australië heeft zo zijn eigen problemen. Zo dachten wij op TV een grappige reclame te zien, wat in werkelijkheid een serieuze politieoproep bleek te zijn. “Man laat maarliefst driemaal zijn broek zakken richting personeel supermarkt”, werd er verkondigd. Waarna een profielschets mét datum en tijd werd getoond. “Mocht U deze man herkennen, neemt U dan zo spoedig mogelijk contact op met de politie”, zo eindigde de oproep. Het enige wat nog miste was de beloning voor de gouden tip. Sindsdien kleden wij ons niet meer om buiten ons busje.

Omdat Ararat ons zo beviel, besloten wij de volgende ochtend met piepende banden te vertrekken naar een beter oord. Dit was Mount Eccles National Park. Dit wonderschone park bevatte alles waar we op dat moment naar zochten: een wc, douche, koala’s en een vulkaan. We zijn hier maar één nachtje gebleven want ondanks dat het zeer vermakelijk was om tussen de koala’s te slapen, is het een klein parkje met verder als enige attractie naast de koala’s een dooie vulkaan. We wisten alleen niet dat koala’s zo’n bizar geluid maakten. Misschien hadden we dan wat geruster gezeten. De volgende ochtend vertrokken zoals gebruikelijk weer eens vroeg.

Het volgende oord heet Millicent. Millicent heeft een aantal grotten en meertjes waar je rond kan kijken. Verder staat Millicent bekend om haar windmolenparken. Niets nieuws voor ons Hollanders dus! Om eerlijk te zijn, alles wat leuk is zoals de nationale parken, attracties en bezienswaardigheden liggen 40 kilometer van ons vandaan.

Gevaarlijker dan kangaroes op de weg is het wild wat “rode P’s” wordt genoemd. Mensen –voornamelijk jongeren-- die nog geen jaar in het bezit zijn van hun rijbewijs, moeten een bordje met een rood gekleurde P voor hun raam plaatsen. Je moet begrijpen dat je hier in Australië als ware je rijbewijs gratis bij een pakje boter krijgt. Internationaal staat rood bekend als de kleur van gevaar, en die kleur past uitstekend bij deze jonge coureurs. Zo kregen wij het even benauwd toen wij in het centrum van Millicent stonden, omringt door deze rode P’s. Scheurend, niet kijkend en zo nu en dan met een paar piepende banden bewogen zij zich voort als een horde waanzinnigen.

Onze volgende stop is in Beachport, waar we goede verhalen over gehoord hebben.

Outger & Lieneke