10 Mei 2010

Wij waren opgelucht om weer terug te zijn in Katherine na ons debakel in Kakadu (zie verhaal 10 april). Katherine staat namelijk niet alleen bekend om haar gorge, maar ook om de Edith Falls waar wij dankbaar gebruikt van maakten. Omdat in het laagste gedeelte van deze rivier onze vriend de krokodil zat, moesten we een stukje naar boven klimmen. Na een korte tocht over een heuvelpad werden wij dankbaar beloond door de pracht en praal van de Edith Falls. In het kleine meertje onder de waterval kon je relaxed in het water liggen of je mee laten sleuren in de stroming even verderop.

Na het spetterfestijn in Katherine reden wij door naar een ander spetterfestijn in Mataranka. In Mataranka hebben wij de hotsprings bezocht waar het plaatsje bekend om staat. Naast heerlijk badderen is er niet erg veel te doen en dus reden wij door richting Alice Springs. Ondanks onze sterke wil liet de enorme afstand en de matige doch stabiele snelheid van ons busje het niet toe binnen één dag in Alice Springs te zijn. Dit was geen ramp, want zo konden wij wat geld besparen door op een “rest area” te slapen. Dit is een gratis parkeerplaats met toilet, water én andere kampeerders, waardoor je je toch veilig voelt. De volgende ochtend reden wij naar Wycliffe Well wat volgens haar bewoners dé landingsplaats is voor buitenaards leven. Wij als ongelovige honden wilden dit met eigen ogen ervaren dus zodoende boekten wij een nacht. De nacht verliep zonder rare lichten en dromen over groene mannetjes die ons gebruikten voor experimenten. Bij dagenraad stond er alleen een papier-maché pop van Elvis met zijn gitaar.

Uiteindelijk in Alice Springs te zijn aangekomen, bleven we daar dankbaar een paar nachten staan. We zouden na Alice namelijk naar een bepaalde steen toegaan waar Australië bekend om is. Dit is ook een goede 900 kilometer heen en weer rijden en aangezien we er net 1700 kilometer op hadden zitten, waren we wel even aan een pauze toe. Eenmaal op weg naar Uluru (de naam van de steen) kwamen we op een prachtige weg terecht. Uluru is zelf ook heel erg mooi, maar er is wel een heel circus om heen gebouwd. Zo mocht je nergens anders kamperen dan in het Ayers Rock Resort. Dit koste een goede 39 dollar (28 euro). Wat ons ook erg tegen zat was de buslading toeristen (en dan vooral Japanners en Chinezen) die deze steen wilden beklimmen. Niks mis mee zou je zeggen, behalve dat de Aboriginals die het land beheren, overal bordjes neer hebben gezet of we dit asjeblieft niet willen doen omdat het heilige grond is. We begrijpen dat de Australiërs iets hebben van ‘het is ook ons land’. Maar om nou als een gast dit te doen… Wij zijn er braaf om heen gelopen en vonden het zeer indrukwekkend. De Olga’s liggen op een steenworp afstand van Uluru. Dit zijn een groep stenen van het zelfde materiaal als Uluru, alleen dan groter.

Als je ooit een keer naar Alice Springs gaat, ga dan naar de MacDonnell Ranges. Wij vonden dit allebei veel mooier dan het park met de steen. Het is veel minder toeristisch en ligt geen 450 kilometer, maar 5 kilometer van Alice Springs af. Dit nationale park bestaat uit grote rode rotsen met rare formaties met wederom groen gras ter decoratie. Gelukkig was dit park ook gratis, wat niet veel gebeurd in Australië.

Eenmaal weer onderweg reden wij terug naar Alice Springs om onze weg naar het Noorden voor te zetten. Onderweg was er niet veel te zien en het waren dan ook een paar lange dagen voordat we in Queensland aan kwamen. Het eindpunt was ook niet zoveel belovend, want Mount Isa is niet een stad waar je voor om gaat rijden. We bleven dan ook maar heel kort voor we weer vertrokken naar Normanton. Je hebt namelijk twee routes naar Cairns. Eén binnendoor en één buitenom. Wij namen de route die buitenom gaat en kunnen met recht zeggen dat dit echt een geweldige route is om te rijden. Omdat weinig mensen buitenom gaan, zijn er hele stukken weg met maar één baan voor beide kanten. Dus als er een tegenligger aankomt, moet je allebei met de helft van je auto in de berm. We hebben ooit wel eens verteld over road trains, vrachtwagens van 50 meter lang, die ook deze wegen gebruiken. Dit leverde voor Outger een paar angstige momenten op en voor Lieneke mooie fotogelegenheden. Langs deze weg kom je de echte cowboys tegen die vee bijeen drijven en een naakte man op een motor die hen daarbij hielp?

In Normanton zelf kwamen wij Franse backpackers tegen die motorpech hadden. Zij vertelden ons in gebroken Engels dat ze geen geld meer hadden om dit te repareren. De auto starten niet meer en zo konden ze niet meer verder. Omdat zij die avond na receptietijd binnen waren gesmokkeld en van plan waren de volgende dag voordat de receptie opent weer weg te gaan, hadden ze dus een probleem. Gelukkig was de eigenaar geen slechte man en nadat ze betaald hadden, waren zij weer op welwillend noot. Door dit soort backpackers worden wij door sommige campings wel wat eigenaardig behandeld. Zo ging Outger ‘s morgens vroeg een keer naar de wc en werd hij letterlijk ondervraagd op welk nummer hij stond. Voor de mensen die hem een beetje kennen, weten wij allemaal dat Outger dit niet onthoudt. Gelukkig mocht hij snel weer verder na één van zijn boze blikken.

Toen we onze weg weer voortzetten, kwamen wij in dorpjes waar we het gevoel hadden vijftig jaar terug in de tijd te zijn gestapt. Zo ging Lieneke betalen voor de diesel en kwam in een winkeltje terecht waar alles nog achter de toonbank stond in schappen. De weg was weer even mooi als dat van Mount Isa naar Normanton. Na een paar honderd kilometer rijden kwamen wij aan in Mount Surprise waar de camping het thema droeg van het stadje “Bethrock” van de Flintstones. Zo was er even onduidelijkheid toen er “Wilma” en “Fred” op de WC deuren stond, in plaats van “Man” en “Vrouw”. Wanneer wij een plaats boeken op een camping krijgen wij altijd een epische lijst met regels waaraan je jezelf dient te houden. De camping Bethrock had maar één regel, als je een feestje houdt, moet je de camping eigenaren uitnodigen. Dit was weer eens wat anders dan een strak regime.

Van het stenentijdperk belanden wij weer in het jaar 2010, waar wij weer een roteind moesten rijden op weg naar Cairns. De omgeving ging over van gras en boomland naar tropischs regenwoud waar het net leek alsof je door een tunnel reed. Aan het einde van de dag kwamen wij aan in het nationale park Granite Rock. Dit is de thuishaven van de beruchte Rock Walibi. Bij de receptie van het park kon je zakjes voer kopen voor een dollar en ze uit je handen laten eten. Dit was erg leuk, totdat het alfa mannetje onder de Walibies aan kwam hoppen en alles met een staart en twee poten aan de kant schopte. Dezelfde avond was het tijd voor een vreugde vuur en zo schraapte Outger wat hout bij elkaar. In de verte was nog iemand bezig met een vuur, hij was Duits… De geur van competitie hing in de lucht en zo werden de vuurtjes steeds groter. De uiteindelijke winnaar is niet bekend, aangezien Outger zijn vuurtje langer branden, maar die van de Duitser net even wat hoger was.

De volgende ochtend reden wij naar Cairns, de oostkust van Australië. De temperatuur is hier een stuk kouder en schrik niet, het regent zelfs. Het tropisch regenwoud is alom aanwezig en loopt door tot aan het strand. Van Cairns reden wij naar Cape Tribulation, waar het woud nog dichter is dan dat wij gezien hadden. Met een kleine pont werden wij naar de overkant van een ruige rivier gebracht (op eigen risico natuurlijk). De weg was een opeenvolging van 40 km/u bochten en houten bruggetjes waar je niet doorheen wil zakken. Dit gedeelte van de oostkust is niet helemaal onder de voet gelopen door massatoerisme en zo was de sfeer rustig. De plek waar wij overnachten lag vijf meter van het strand af met het tropische regenwoud eraan geplakt. Zwemmen was niet verstandig, aangezien je het strand met de Salties (zoutwater krokodillen) moest delen. Na een kleine wandeling over het strand vonden wij wat kokosnoten die Outger na veel pijn en moeite beloonde met een verkoelend drankje en een tropisch hapje. De omgeving is zonder twijfel één van de mooiste plekken van Australië.

Outger & Lieneke